Advanced search in Research products
Research products
arrow_drop_down
Searching FieldsTerms
Any field
arrow_drop_down
includes
arrow_drop_down
Include:
The following results are related to Digital Humanities and Cultural Heritage. Are you interested to view more results? Visit OpenAIRE - Explore.
12,747 Research products, page 1 of 1,275

  • Digital Humanities and Cultural Heritage
  • Research data
  • 2018-2022
  • Dutch; Flemish

10
arrow_drop_down
Relevance
arrow_drop_down
  • Open Access Dutch; Flemish
    Authors: 
    D.F.A.M Van Den Biggelaar;
    Publisher: DANS Data Station Archaeology
    Country: Netherlands

    In opdracht van The Way You Live B.V. heeft IDDS Archeologie in februari 2020 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd aan de Achterweg 3 in Lisse, gemeente Lisse. De noodzaak tot het archeologisch onderzoek komt voort uit het bestemmingsplan. De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en zo nodig aanvullen van de gespecificeerde verwachting. Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat er in het plangebied een zeer lage verwachting is voor het aantreffen van archeologische indicatoren. Op basis van de resultaten van het onderzoek adviseert IDDS Archeologie om het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden.

  • Open Access Dutch; Flemish
    Authors: 
    A.A. Kerkhoven;
    Country: Netherlands

    In november 2018 is een archeologisch bureauonderzoek (BO) uitgevoerd in het kader van de sloop van een bestaande woning en de bouw van een nieuwe woning aan de Boltschestraat 3 te Escharen (gemeente Grave; figuur 1). Het bouwvlak van de oude en nieuwe woning is circa 360 m2. Het plangebied heeft in de herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Grave 2018 een dubbelbestemming Waarde – Archeologie, categorie 4, inhoudende dat bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 0,5 m -mv, archeologisch vooronderzoek is vereist. Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een zeer hoge archeologische verwachting op bebouwingsresten die samenhangen met het historische gebruik als erf en een hoge verwachting op archeologische sporen en vondsten uit de periode van het Laat Paleolithicum B t/m de Middeleeuwen. Archeologische resten worden op een diepte vanaf maaiveld tot circa 1,0 m -Mv verwacht. De archeologische verwachting is als volgt te specificeren: 1) Archeologische resten in de vorm van historische bebouwing, die in ieder geval terug gaan tot in het begin van de 19e eeuw en samenhangen met het gebruik van het plangebied als agrarisch erf. Deze archeologische resten zijn te verwachten vanaf maaiveld en dus ook in de laarpodzol en kunnen tot in het hieronder gelegen dekzand en terrasafzettingen reiken. Hierbij moet niet alleen rekening worden gehouden met steenbouw, maar ook met voorgangers van hout. Gezien de aangrenzende historische weg (Boltschestraat) moet ook rekening worden gehouden met sporen die hiermee verband houden, zoals karrensporen. Voor wat betreft vondstmateriaal moet met alle mogelijke anorganische materiaalcategorieën rekening worden gehouden, zoals keramiek, glas en metaal. Gezien het lemige karakter van de bodem is er ook een kans op organisch materiaal, zoals dierlijk bot. 2) Archeologische resten in de vorm van vondsten en grondsporen uit de periode van het Laat Paleolithicum B t/m de Middeleeuwen. Vondsten en verploegde grondsporen uit deze periode worden al in de basis van de laarpodzol verwacht. Er moet rekening worden gehouden met zowel gesloten vondstcontexten in de vorm van rituele deposities en individuele vondsten als met nederzettingssporen en vondsten die verband houden met het gebruik als nederzetting. Er moet in het bijzonder rekening worden gehouden met bewerkt vuursteen, al dan niet bewerkt i.c. intentioneel gebroken natuursteen, aardewerk en metaalvondsten. De kans op goed geconserveerd – onverbrand – botmateriaal is zeker in het dekzand kleiner, maar niet uitgesloten. Vondsten en grondsporen uit deze periode worden verwacht vanaf circa 30 cm -mv. Grondsporen kunnen bestaan uit paalsporen, (haard-)kuilen en greppels.

  • Open Access Dutch; Flemish
    Authors: 
    J.E.M. Wattenberghe;
    Publisher: Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed
    Country: Netherlands

    Het voornemen is om de leegstaande voormalige boerderij aan de Sandeeweg 5 te Kruiningen, bestaande uit een bedrijfswoning en twee schuren, te slopen en te vervangen door een nieuwe gezinswoning met garage. Het bouwvlak omvat een deel van het perceel dat kadastraal bekend staat onder Gemeente Kruiningen, Sectie O, Perceel 1567 en beslaat een oppervlakte van circa 1.000 m². In het kader van de noodzakelijke omgevingsvergunning werd een Archeologisch Bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd. In het kader van het bureauonderzoek werd een groot aantal bronnen bestudeerd die geleid hebben tot een gespecificeerd verwachtingsmodel. Dit model werd vervolgens getoetst door het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Op basis van de resultaten van het booronderzoek kan gesteld worden dat: - Het onderzoeksgebied gelegen is op de flank van een getijde geul. - Binnen het onderzoeksgebied een lage verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen op het niveau van het Laagpakket van Wormer (Neolithicum) en het Hollandveen Laagpakket (Bronstijd, IJzertijd en Romeinse tijd). - Binnen het onderzoeksgebied voor het niveau van het Laagpakket van Walcheren een lage verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit de middeleeuwen en de Nieuwe Tijd met uitzondering van resten van dieper gelegen sporen zoals de kelder onder de woning en eventuele (beer/water)putten behorende bij de 19de eeuwse boerderij en schuur.

  • Open Access Dutch; Flemish
    Authors: 
    V. Van Looveren; G. Sophie;
    Publisher: DANS Data Station Archaeology
    Country: Netherlands

    In de periode oktober-december 2020 heeft Antea Group in opdracht van Visser & Smit Hannab een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied ‘MS-tracé Zonnepark Dongen’ in de gemeenten Dongen en Tilburg. Per gemeente is er een afzonderlijke rapportage archeologie opgesteld. Dit om het beoordelingsproces voor de opdrachtgever en de bevoegde overheden vereenvoudigen. Het archeologisch onderzoek heeft bestaan uit een bureauonderzoeken een inventariserend veldonderzoek d.m.v. verkennende boringen. Dit onderzoek is de eerste stap in de AMZ-cyclus. Onderhavig rapport betreft het deel van het tracé gelegen in de gemeente Dongen. Onze opdrachtgever Visser & Smit Hannab is voornemens een middenspanningskabel aan te leggen tussen het toekomstige zonnepark aan de Bosweg te Dongen en het hoogspanningsstation aan de Zeusstraat 1 te Tilburg. Ruimtelijk beleidskader Voor een klein deel van het plangebied is geen bestemmingsplan aanwezig. Hoewel in het vigerende bestemmingsplan dubbelbestemmingen waarde – archeologie opgenomen zijn, zijn er voor het resterende deel van het plangebied geen dubbelbestemmingen waard – archeologie opgenomen. Dit is in contradictie met de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Dongen waarop het plangebied in een zone met een hoge verwachting ligt. Op basis van het archeologisch beleid van de gemeente Dongen is archeologisch onderzoek in zones met een hoge verwachting verplicht bij bodemverstorende werkzaamheden vanaf 100 m². De geplande werkzaamheden overschrijden deze vrijstellingsgrens. Resultaten archeologisch bureauonderzoek Gezien de ligging van het zuidelijke deel van het plangebied op een dekzandrug geldt een middelhoge tot hoge verwachting op archeologische resten vanaf het laat paleolithicum tot en met de vroege middeleeuwen. In het lager gelegen noordelijke deel van het plangebied is de verwachting op resten uit deze perioden laag, gezien de veenontginning die hier plaatsgevonden heeft en gezien de natte omstandigheden vanaf de bronstijd. Evenwel kan, ondanks de veenontginning, de oorspronkelijke top van het dekzand nog intact zijn, waarop dan nog mogelijke resten uit het paleo-, meso- en neolithicum verwacht kunnen worden. Wat betreft late middeleeuwen en nieuwe tijd geldt vooral een verwachting op resten die samenhangen met de agrarische ontginning van het landschap. Aangezien op historische kaarten geen bebouwing aangeduid wordt, is bewoning uit deze perioden niet te verwachten. Advies bureauonderzoek Omdat er een middelhoge tot hoge kans is op het aantreffen van archeologische resten binnen het plangebied, adviseerde Antea Group om binnen het plangebied een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase, uit te voeren op de locaties waar de leiding in open ontgraving zal worden aangelegd. Hierbij worden ook de in- en uittredepunten van de HDD en/of persboringen gerekend. Het booronderzoek is in november en december 2020 uitgevoerd Resultaten booronderzoek In de gemeente Dongen zijn 16 boringen uitgevoerd, inclusief de vijf boringen die op de gemeentegrens met Tilburg liggen. Een deel van de boringen kende een AC- of A-AC-C-profiel waar de bodemroering zodanig is dat het potentieel archeologische vlak in de oorspronkelijke top van de C-Horizont verstoord is. De locaties waar wel een onderkant van een veldpodzol intact werd aangetroffen zijn oorspronkelijk laaggelegen en waarschijnlijk nat. Zie ook de resultaten van het booronderzoek voor deze nadere onderbouwing. De kans op het aantreffen van potentieel archeologisch behoudenwaardige vindplaatsen wordt in het onderzochte plangebied als klein ingeschat. Advies Het advies luidt om de voorgenomen bodemingrepen toe te staan zonder verder archeologisch onderzoek uit te voeren. Dit is een advies, het hierop nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan de bevoegde overheid, in deze de gemeente Dongen. De bevoegde overheid ging op 7-1-2021 akkoord met het rapport en het gegeven advies.1

  • Open Access Dutch; Flemish
    Authors: 
    M Duurland;
    Country: Netherlands

    In juni 2017 is door de afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht een archeologische begeleiding uitgevoerd in het pand Oudegracht 163. Er werd grond ontgraven voor een nieuwe kelder met een oppervlakte van 36,6 m2 en een diepte van 2,20 m+NAP (3,0 meter onder maaiveld van de aangrenzende straat). De te graven kelder bevond zich achterin het pand, halverwege de Oudegracht en de Steenweg. Tijdens het uitgraven van de kelder bleek de bodem bij sloop- en bouwwerkzaamheden aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw verstoord te zijn tot hoogtes variërend van 3,4 tot 2,7 m+NAP. Aan de westkant van de ontgraving waren tussen 3,4 en 3,15 m+NAP de resten van een kelder bewaard, bestaande uit een vloer van plavuizen en een aangrenzend kelderfundament aan de oostkant. Op een dieper niveau in het volgend vlak (rond 2,65 m+NAP) bevond zich een ophogingslaag uit vermoedelijk de twaalfde eeuw. Deze laag werd doorsneden door een greppel (vermoedelijk twaalfde eeuw), een grote kuil (laat middeleeuws?), postmiddeleeuwse kuilen en het fundament van de scheidingsmuur tussen twee kleine huisjes die hier tot 1893 stonden. Aan de oostkant van de werkput bevonden zich op dit niveau ook de hoogste bewaarde kloostermoppen van een dertiende-eeuwse funderingspoer. Dit was de fundering van het zogenaamde ‘Schoonhuis’, een groot openbaar gebouw (72x10 meter) waarin het stadsbestuur en de oudermannen van de gilden tot 1537 gehuisvest waren. In het laatste vlak rond 2,20 m+NAP kon de dertiende-eeuwse poer verder gedocumenteerd worden en kon de onderkant ervan worden vastgesteld op 1,82 m+NAP. De overige sporen op dit niveau waren grotendeels al in het vlak erboven gezien. Onafhankelijk van de ontgraving is een 7,5 meter lang stuk van de tegenoverliggende zijgevel gedocumenteerd. Achter een ingestorte moderne klampmuur was de bovenkant van het fundament met twee funderingsbogen tevoorschijn gekomen. Het metselwerk was in (soms zeer slordig) Vlaams verband uitgevoerd. Afgaand op de bovenkant van de funderingsbogen kon het maaiveld tijdens de bouw van het Schoonhuis (tweede helft dertiende eeuw) bepaald worden op circa 4,6 m+NAP. Tijdens de begeleiding is slechts een zeer geringe hoeveelheid vondsten aangetroffen. Het betrof negen aardewerkscherven, 4 fragmenten dierlijk bot en een brok zandsteen.

  • Open Access Dutch; Flemish
    Authors: 
    T Nales;
    Publisher: Data Archiving and Networked Services (DANS)
    Country: Netherlands

    In maart 2017 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Hoofdweg 80 in het oosten van de bebouwde kom van Capelle aan den IJssel (gemeente Capelle aan den IJssel). De aanleiding voor het onderzoek vormt de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van een bedrijfsverzamelgebouw in het gebied. In het plangebied is volgens het vigerend bestemmingsplan echter sprake van een archeologische waarde. Dit betekent dat gezien de omvang van de voorgenomen bodemingrepen archeologisch vooronderzoek nodig is. Op basis van het vooronderzoek is vastgesteld dat het onderzoeksgebied een lage verwachting heeft op de aanwezigheid van archeologische resten. Dit is gebaseerd op de altijd natte omstandigheden, waaronder de ondergrond van het plangebied is gevormd in combinatie met het ontbreken van archeologisch relevante bodemlagen en de mate van verstoring van de top van het bodemprofiel. Hiermee is de aanwezigheid van een intacte vindplaats in het plangebied niet waarschijnlijk.

  • Open Access Dutch; Flemish
    Authors: 
    Sluijter, RGH;
    Country: Netherlands

    Deze toegang op de resoluties van het college van Curatoren en Burgemeesters van de Leidse universiteit tussen 1574-1815 (Universiteitsbibliotheek Leiden) is oorspronkelijk samengesteld in de vorm van een kaartsysteem. De toegang werd gemaakt ten behoeve van het proefschrift van Ronald Sluijter, 'Tot ciraet, vermeerderinge ende heerlyckmaeckinge der universiteyt'. Bestuur, instellingen, personeel en financiën van de Leidse universiteit 1572-1812 (Hilversum 2004). Het kaartsysteem is geen volledige index op het bovengenoemde archief, maar bevat alleen ingangen die van belang waren voor het onderzoek, grofweg te omschrijven als de 'bedrijfsmatige' kant van de Leidse universtiteit. Het betreft gegevens die in de bronnenuitgave van P.C. Molhuysen, Bronnen tot de geschiedenis der Leidsche universiteit 1574-1811 ('s-Gravenhage 1913-1924) in meerderheid niet zijn opgenomen, aangezien Molhuysen zich juist richtte op de onderwijskundige kant van de universiteit. Overigens bevat de toegang ook een (relatief klein) aantal 'kaarten' die verwijzen naar andere archieven en literatuur, voor zover die nuttig bleken voor het onderzoek. Het betreft hier met name de genoemde bronnenuitgave van Molhuysen. De bronnen zijn hieronder opgesomd. Inhoud van de velden: Onderwerp: trefwoord op het onderwerp van de resolutie. Beschrijving: een samenvatting van de resolutie. In veel gevallen wordt tussen ronde haken verwezen naar data waarop het college besluiten nam over dezelfde zaak. Datum: de datum van de resolutie. Archief Curatoren: het inventarisnummer in het archief van Curatoren 1574-1815. Folio: het folionummer Interne verwijzingen: kruisverwijzingen naar andere trefwoorden. Andere archieven en literatuur: zie boven. Het betreft de volgende bronnen: Berigt van den curator Rooseboom van 27 sept.b. 1696 rakende de finantie der universiteyt tot Leyden (gedrukt, onder andere aanwezig in de Universiteitsbibliotheek, Archief van Curatoren 1574-1815, inv. nr. 263) Erfgoed Leiden en omstreken, archieven van de kloosters, (1310) 1393-1572 (1655) Erfgoed Leiden en omstreken, prentverzameling Erfgoed Leiden en omstreken, stadsarchief van Leiden, (1253) 1574-1816 (1897) Fölting, H.P., De vroedschap van 's-Gravenhage 1572-1795 ('s-Gravenhage 1985) Leids Jaarboekje (1910) Missive van den curator van Wassenaar en burgemeesteren der stad Leyden, houdende derzelver bericht, mitsgaders consideratiën en advis, ter voldoening van hun Ed. Groot Mogende aanschrijven van 28 july 1696 (gedrukt, onder andere aanwezig Archief van Curatoren 1574-1815, inv. nr. 263) Molhuysen, P.C., Bronnen tot de geschiedenis der Leidsche universiteit 1574-1811 ('s-Gravenhage 1913-1924) Particuliere notulen van de vergadering van de Staten van Holland, 1620-1640 (Den Haag 1987-2005) Resolutien van de Heeren Staaten van Holland en Westvriesland 1524-1795 Schotel, G.D.J., Een studenten-oproer in 1594 (Leiden 1867) Universiteitsbibliotheek Leiden, archief van Senaat en Faculteiten 1575-1877 welvaren van Leiden. Handschrift uit het jaar 1911, Het ('s-Gravenhage 1911) Witkam, H.J., De dagelijkse zaken van de Leidse Universiteit van 1581 tot 1596 (Leiden 1969-1975)

  • Open Access Dutch; Flemish
    Authors: 
    Verduin, J.T. (ADC ArcheoProjecten);
    Publisher: ADC ArcheoProjecten
    Country: Netherlands

    ADC ArcheoProjecten en T&A Survey hebben een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P) en een Archeologische Opgraving (DO) uitgevoerd voor het plangebied Tricht-Spooromgeving. Dit onderzoek vond plaats in het kader van de aanleg van een randweg aan de noordzijde van Tricht, met een onderdoorgang onder het spoor. Het onderzoek heeft enkele verrassende resultaten opgeleverd. Het plangebied bevindt zich middenin een crevasse landschap. In dit dynamische rivierenlandschap vonden regelmatig overstromingen plaats. Op een diep niveau werden verspreid over het terrein grote boomkuilen ontdekt, de overblijfselen van een verdronken elzenbroekbos. Dit oerbos is overstroomd geraakt, en door de hoge grondwaterstand waren in veel boomkuilen nog houtresten bewaard. Het hout van twee kuilen is met 14C-onderzoek gedateerd in het Midden-Neolithicum. Op dit overstromingssediment werden sporen uit de prehistorie aangetroffen. De meeste kunnen in het Laat-Neolithicum worden geplaatst en dat is een periode waar nog maar weinig over bekend is. Over de exacte aard van de vindplaats tasten we in het duister, we gaan ervan uit dat het een nederzettingsterrein betreft. Duidelijk herkenbare structuren zijn de vele stakenrijtjes die verspreid over het plangebied voorkomen. Deze hekwerken kunnen bijvoorbeeld woon- en akkerpercelen hebben omgeven of begrensd. Heel overtuigende gebouwstructuren zijn niet herkend, mogelijk is een tweebeukige gebouwstructuur aanwezig in het centrale deel van het plangebied. Hier vonden we vier paalkuiltjes in een bijna noord-zuid georiënteerde rij. De paaltjes zijn op regelmatige afstand van elkaar geplaatst over een lengte van 7,5 m. De rij palen kan echter ook een stuk langer zijn en verder noordelijk buiten de grens van de werkput door kunnen lopen. Zowel de resultaten van het 14C-onderzoek als het aardewerk laten zien dat men hier in het Laat- Neolithicum aanwezig is geweest. We weten dus weinig over de exacte aard van die activiteiten, door de geringe hoeveelheid grondsporen, vondsten en slechte conservering van botanische resten en pollen. We houden er rekening mee dat men hier in het Laat-Neolithicum enige tijd heeft gezeten. Daarop wijzen de paalstructuren, de vondstconcentratie in de vegetatiehorizont en ook enkele kuilen die verspreid in het gebied voorkomen. In één van die kuilen werd nog een bijzondere vondst gedaan: een fragment van een geslepen bijl. Er is een aanwijzing dat men het terrein in de Midden-Bronstijd, zo’n 500 jaar later, heeft bezocht. Uit één van de kuilen kwam een 14C-datering uit in deze periode. Wellicht moeten ook de (ongedateerde) stakenrijtjes aan die periode worden toegeschreven. We weten dat men in de Midden-Bronstijd het Rivierengebied op grote schaal verkavelde, de stakenrijtjes zouden hier deel van kunnen hebben uitgemaakt.

  • Open Access Dutch; Flemish
    Authors: 
    Diependaal, S. (Econsultancy BV);
    Publisher: Econsultancy BV
    Country: Netherlands

    Bij het archeologisch onderzoek naar de Lage Brug zijn delen van de constructie van deze steiger aangetroffen daterend in de late 15e tot 17e eeuw. Het gaat hierbij om drie rijen met drie steigerpalen. Het deel vanaf werkput 5 lijkt een andere constructiewijze te hebben gehad. Hier en daar een enkele grote steigerpaal in combinatie met kleinere palen. Mogelijk heeft dit te maken met het hogere en het lagere deel van de brug. De constructie van de brug is ter hoogte van de rijen met drie steigerpalen circa 3 meter breed. Dit komt overeen met de constructie van de Hoge Brug. Mogelijk heeft het deel waarbinnen rijen met drie steigerpalen zijn gebruikt bestaan uit circa 19 rijen van drie palen, wat neerkomt op 57 palen. De oudste steigerpaal dateert in de late 15e eeuw en is waarschijnlijk nog een relict van de brug uit die periode. Van een oudere fase van de Lage Brug, of andere havenconstructies, uit de 13e tot 15e eeuw zijn geen resten aangetroffen. De constructie van de Lage Brug laat meerdere herstelfasen zien, rond 1610, 1640 en 1650. Bij de herstelfase rond 1640 is gebruik gemaakt van steigerpalen met metalen schoenen, in de herstelfasen hiervoor niet. Dit toont aan dat er rond 1640 een noodzaak was voor dergelijke metalen beschermingsmiddelen. Dit maakt het waarschijnlijk dat het puinlichaam aangetroffen tussen de steigerpalen is gestort tussen 1610 en 1640. De steigerpaal geplaatst op het einde van de Lage Brug in werkput 7 is geslagen rond 1650. Deze paal bezit geen metalen schoen, wat aangeeft dat zich hier geen puinlichaam heeft gelegen. Op basis van het gebruik van metalen schoenen lijkt het er op dat de steigerpalen zonder deze metalen beschermingsmiddelen gedateerd moeten worden vóór 1640 en de palen met metalen schoenen er na. Het plan uit 1591 voor een nieuwe haven lijkt op basis van het aangetroffen puinlichaam en historisch kaartmateriaal ten dele te zijn uitgevoerd. In 1649 wordt een nieuw plan opgesteld dat lijkt te zijn gebaseerd op het plan uit 1591. Dit plan laat zien dat men van plan was om tussen beide havenbruggen een stuk land te winnen om zodoende aan de zeezijde een breed havenhoofd te creëren. Dit plan lijkt te zijn uitgevoerd, in ieder geval voor het deel van de Lage Brug dat onderzocht is. Er is tussen beide bruggen een grondkering aangelegd, de Kadijk, waarbij hergebruikt hout is gebruikt. Onder andere van een zeevarende kotter. Tussen deze Kadijk en de stadsmuur is inderdaad land gewonnen vanaf het midden van de 17e eeuw. Ook is hierbij het nog openliggende deel direct vóór de Vischpoort gedicht. Of het plan voor de nieuwe haven in zijn totaliteit is uitgevoerd kan niet worden bevestigd. Een bijzondere vondst is dat van een scheepswrak (de Harderwijk 1). Het gaat hierbij om de resten van een punter met een visbun bedoeld voor het vervoer van levende vangst vanaf de vissersschepen naar de stad (Vischmarkt). Het vaartuig is gebouwd tussen 1642 en 1658. Na een periode van intensief gebruik zijn de nog bruikbare delen verwijderd en is het vaartuig afgezonken aan de westzijde van de steiger. Gedurende de 17e en 18e eeuw is de aanleg van de nieuwe haven voortgezet waarbij het is gelukt om nieuw land aan te winnen tussen beide bruggen en daar buiten. Hierbij is niet alleen gebruik gemaakt van antropogene stortlagen, maar ook van de werking van de Zuiderzee. Dat de zee op gezette tijden van zich liet spreken laten weg geslagen delen van het puinlichaam en van het gewonnen land zien aan de noordoostzijde van de Lage Brug. Rond het midden van de 18e eeuw verdwijnt de Lage Brug uit het beeld. De onderzijde van de constructie, de steigerpalen, blijven achter in de bodem. Van het bovenste deel wordt niets terug gevonden. Na een periode van nieuwe ophogingen, de aanleg van greppels en een straatje ontstaat de Boulevard zoals oudere inwoners zich nog kunnen herinneren.

  • Open Access Dutch; Flemish
    Authors: 
    Batavialand te Lelystad, Maritiem Archeologisch Depot;
    Country: Netherlands

    Scheepstype: Praam-achtig. In oktober 1959 een scheepswrak verkend op kavel L 84. Het wrak werd in dezelfde maand leeggegraven om de vondsten te kunnen bergen. Deze vondsten deden een ouderdom vermoeden van 100 a 125 jaar. Na de werkzaamheden is het wrak uit de grond verwijderd.

Advanced search in Research products
Research products
arrow_drop_down
Searching FieldsTerms
Any field
arrow_drop_down
includes
arrow_drop_down
Include:
The following results are related to Digital Humanities and Cultural Heritage. Are you interested to view more results? Visit OpenAIRE - Explore.
12,747 Research products, page 1 of 1,275
  • Open Access Dutch; Flemish
    Authors: 
    D.F.A.M Van Den Biggelaar;
    Publisher: DANS Data Station Archaeology
    Country: Netherlands

    In opdracht van The Way You Live B.V. heeft IDDS Archeologie in februari 2020 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd aan de Achterweg 3 in Lisse, gemeente Lisse. De noodzaak tot het archeologisch onderzoek komt voort uit het bestemmingsplan. De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en zo nodig aanvullen van de gespecificeerde verwachting. Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat er in het plangebied een zeer lage verwachting is voor het aantreffen van archeologische indicatoren. Op basis van de resultaten van het onderzoek adviseert IDDS Archeologie om het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden.

  • Open Access Dutch; Flemish
    Authors: 
    A.A. Kerkhoven;
    Country: Netherlands

    In november 2018 is een archeologisch bureauonderzoek (BO) uitgevoerd in het kader van de sloop van een bestaande woning en de bouw van een nieuwe woning aan de Boltschestraat 3 te Escharen (gemeente Grave; figuur 1). Het bouwvlak van de oude en nieuwe woning is circa 360 m2. Het plangebied heeft in de herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Grave 2018 een dubbelbestemming Waarde – Archeologie, categorie 4, inhoudende dat bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 0,5 m -mv, archeologisch vooronderzoek is vereist. Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een zeer hoge archeologische verwachting op bebouwingsresten die samenhangen met het historische gebruik als erf en een hoge verwachting op archeologische sporen en vondsten uit de periode van het Laat Paleolithicum B t/m de Middeleeuwen. Archeologische resten worden op een diepte vanaf maaiveld tot circa 1,0 m -Mv verwacht. De archeologische verwachting is als volgt te specificeren: 1) Archeologische resten in de vorm van historische bebouwing, die in ieder geval terug gaan tot in het begin van de 19e eeuw en samenhangen met het gebruik van het plangebied als agrarisch erf. Deze archeologische resten zijn te verwachten vanaf maaiveld en dus ook in de laarpodzol en kunnen tot in het hieronder gelegen dekzand en terrasafzettingen reiken. Hierbij moet niet alleen rekening worden gehouden met steenbouw, maar ook met voorgangers van hout. Gezien de aangrenzende historische weg (Boltschestraat) moet ook rekening worden gehouden met sporen die hiermee verband houden, zoals karrensporen. Voor wat betreft vondstmateriaal moet met alle mogelijke anorganische materiaalcategorieën rekening worden gehouden, zoals keramiek, glas en metaal. Gezien het lemige karakter van de bodem is er ook een kans op organisch materiaal, zoals dierlijk bot. 2) Archeologische resten in de vorm van vondsten en grondsporen uit de periode van het Laat Paleolithicum B t/m de Middeleeuwen. Vondsten en verploegde grondsporen uit deze periode worden al in de basis van de laarpodzol verwacht. Er moet rekening worden gehouden met zowel gesloten vondstcontexten in de vorm van rituele deposities en individuele vondsten als met nederzettingssporen en vondsten die verband houden met het gebruik als nederzetting. Er moet in het bijzonder rekening worden gehouden met bewerkt vuursteen, al dan niet bewerkt i.c. intentioneel gebroken natuursteen, aardewerk en metaalvondsten. De kans op goed geconserveerd – onverbrand – botmateriaal is zeker in het dekzand kleiner, maar niet uitgesloten. Vondsten en grondsporen uit deze periode worden verwacht vanaf circa 30 cm -mv. Grondsporen kunnen bestaan uit paalsporen, (haard-)kuilen en greppels.

  • Open Access Dutch; Flemish
    Authors: 
    J.E.M. Wattenberghe;
    Publisher: Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed
    Country: Netherlands

    Het voornemen is om de leegstaande voormalige boerderij aan de Sandeeweg 5 te Kruiningen, bestaande uit een bedrijfswoning en twee schuren, te slopen en te vervangen door een nieuwe gezinswoning met garage. Het bouwvlak omvat een deel van het perceel dat kadastraal bekend staat onder Gemeente Kruiningen, Sectie O, Perceel 1567 en beslaat een oppervlakte van circa 1.000 m². In het kader van de noodzakelijke omgevingsvergunning werd een Archeologisch Bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd. In het kader van het bureauonderzoek werd een groot aantal bronnen bestudeerd die geleid hebben tot een gespecificeerd verwachtingsmodel. Dit model werd vervolgens getoetst door het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Op basis van de resultaten van het booronderzoek kan gesteld worden dat: - Het onderzoeksgebied gelegen is op de flank van een getijde geul. - Binnen het onderzoeksgebied een lage verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen op het niveau van het Laagpakket van Wormer (Neolithicum) en het Hollandveen Laagpakket (Bronstijd, IJzertijd en Romeinse tijd). - Binnen het onderzoeksgebied voor het niveau van het Laagpakket van Walcheren een lage verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit de middeleeuwen en de Nieuwe Tijd met uitzondering van resten van dieper gelegen sporen zoals de kelder onder de woning en eventuele (beer/water)putten behorende bij de 19de eeuwse boerderij en schuur.

  • Open Access Dutch; Flemish
    Authors: 
    V. Van Looveren; G. Sophie;
    Publisher: DANS Data Station Archaeology
    Country: Netherlands

    In de periode oktober-december 2020 heeft Antea Group in opdracht van Visser & Smit Hannab een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied ‘MS-tracé Zonnepark Dongen’ in de gemeenten Dongen en Tilburg. Per gemeente is er een afzonderlijke rapportage archeologie opgesteld. Dit om het beoordelingsproces voor de opdrachtgever en de bevoegde overheden vereenvoudigen. Het archeologisch onderzoek heeft bestaan uit een bureauonderzoeken een inventariserend veldonderzoek d.m.v. verkennende boringen. Dit onderzoek is de eerste stap in de AMZ-cyclus. Onderhavig rapport betreft het deel van het tracé gelegen in de gemeente Dongen. Onze opdrachtgever Visser & Smit Hannab is voornemens een middenspanningskabel aan te leggen tussen het toekomstige zonnepark aan de Bosweg te Dongen en het hoogspanningsstation aan de Zeusstraat 1 te Tilburg. Ruimtelijk beleidskader Voor een klein deel van het plangebied is geen bestemmingsplan aanwezig. Hoewel in het vigerende bestemmingsplan dubbelbestemmingen waarde – archeologie opgenomen zijn, zijn er voor het resterende deel van het plangebied geen dubbelbestemmingen waard – archeologie opgenomen. Dit is in contradictie met de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Dongen waarop het plangebied in een zone met een hoge verwachting ligt. Op basis van het archeologisch beleid van de gemeente Dongen is archeologisch onderzoek in zones met een hoge verwachting verplicht bij bodemverstorende werkzaamheden vanaf 100 m². De geplande werkzaamheden overschrijden deze vrijstellingsgrens. Resultaten archeologisch bureauonderzoek Gezien de ligging van het zuidelijke deel van het plangebied op een dekzandrug geldt een middelhoge tot hoge verwachting op archeologische resten vanaf het laat paleolithicum tot en met de vroege middeleeuwen. In het lager gelegen noordelijke deel van het plangebied is de verwachting op resten uit deze perioden laag, gezien de veenontginning die hier plaatsgevonden heeft en gezien de natte omstandigheden vanaf de bronstijd. Evenwel kan, ondanks de veenontginning, de oorspronkelijke top van het dekzand nog intact zijn, waarop dan nog mogelijke resten uit het paleo-, meso- en neolithicum verwacht kunnen worden. Wat betreft late middeleeuwen en nieuwe tijd geldt vooral een verwachting op resten die samenhangen met de agrarische ontginning van het landschap. Aangezien op historische kaarten geen bebouwing aangeduid wordt, is bewoning uit deze perioden niet te verwachten. Advies bureauonderzoek Omdat er een middelhoge tot hoge kans is op het aantreffen van archeologische resten binnen het plangebied, adviseerde Antea Group om binnen het plangebied een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase, uit te voeren op de locaties waar de leiding in open ontgraving zal worden aangelegd. Hierbij worden ook de in- en uittredepunten van de HDD en/of persboringen gerekend. Het booronderzoek is in november en december 2020 uitgevoerd Resultaten booronderzoek In de gemeente Dongen zijn 16 boringen uitgevoerd, inclusief de vijf boringen die op de gemeentegrens met Tilburg liggen. Een deel van de boringen kende een AC- of A-AC-C-profiel waar de bodemroering zodanig is dat het potentieel archeologische vlak in de oorspronkelijke top van de C-Horizont verstoord is. De locaties waar wel een onderkant van een veldpodzol intact werd aangetroffen zijn oorspronkelijk laaggelegen en waarschijnlijk nat. Zie ook de resultaten van het booronderzoek voor deze nadere onderbouwing. De kans op het aantreffen van potentieel archeologisch behoudenwaardige vindplaatsen wordt in het onderzochte plangebied als klein ingeschat. Advies Het advies luidt om de voorgenomen bodemingrepen toe te staan zonder verder archeologisch onderzoek uit te voeren. Dit is een advies, het hierop nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan de bevoegde overheid, in deze de gemeente Dongen. De bevoegde overheid ging op 7-1-2021 akkoord met het rapport en het gegeven advies.1

  • Open Access Dutch; Flemish
    Authors: 
    M Duurland;
    Country: Netherlands

    In juni 2017 is door de afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht een archeologische begeleiding uitgevoerd in het pand Oudegracht 163. Er werd grond ontgraven voor een nieuwe kelder met een oppervlakte van 36,6 m2 en een diepte van 2,20 m+NAP (3,0 meter onder maaiveld van de aangrenzende straat). De te graven kelder bevond zich achterin het pand, halverwege de Oudegracht en de Steenweg. Tijdens het uitgraven van de kelder bleek de bodem bij sloop- en bouwwerkzaamheden aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw verstoord te zijn tot hoogtes variërend van 3,4 tot 2,7 m+NAP. Aan de westkant van de ontgraving waren tussen 3,4 en 3,15 m+NAP de resten van een kelder bewaard, bestaande uit een vloer van plavuizen en een aangrenzend kelderfundament aan de oostkant. Op een dieper niveau in het volgend vlak (rond 2,65 m+NAP) bevond zich een ophogingslaag uit vermoedelijk de twaalfde eeuw. Deze laag werd doorsneden door een greppel (vermoedelijk twaalfde eeuw), een grote kuil (laat middeleeuws?), postmiddeleeuwse kuilen en het fundament van de scheidingsmuur tussen twee kleine huisjes die hier tot 1893 stonden. Aan de oostkant van de werkput bevonden zich op dit niveau ook de hoogste bewaarde kloostermoppen van een dertiende-eeuwse funderingspoer. Dit was de fundering van het zogenaamde ‘Schoonhuis’, een groot openbaar gebouw (72x10 meter) waarin het stadsbestuur en de oudermannen van de gilden tot 1537 gehuisvest waren. In het laatste vlak rond 2,20 m+NAP kon de dertiende-eeuwse poer verder gedocumenteerd worden en kon de onderkant ervan worden vastgesteld op 1,82 m+NAP. De overige sporen op dit niveau waren grotendeels al in het vlak erboven gezien. Onafhankelijk van de ontgraving is een 7,5 meter lang stuk van de tegenoverliggende zijgevel gedocumenteerd. Achter een ingestorte moderne klampmuur was de bovenkant van het fundament met twee funderingsbogen tevoorschijn gekomen. Het metselwerk was in (soms zeer slordig) Vlaams verband uitgevoerd. Afgaand op de bovenkant van de funderingsbogen kon het maaiveld tijdens de bouw van het Schoonhuis (tweede helft dertiende eeuw) bepaald worden op circa 4,6 m+NAP. Tijdens de begeleiding is slechts een zeer geringe hoeveelheid vondsten aangetroffen. Het betrof negen aardewerkscherven, 4 fragmenten dierlijk bot en een brok zandsteen.

  • Open Access Dutch; Flemish
    Authors: 
    T Nales;
    Publisher: Data Archiving and Networked Services (DANS)
    Country: Netherlands

    In maart 2017 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Hoofdweg 80 in het oosten van de bebouwde kom van Capelle aan den IJssel (gemeente Capelle aan den IJssel). De aanleiding voor het onderzoek vormt de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van een bedrijfsverzamelgebouw in het gebied. In het plangebied is volgens het vigerend bestemmingsplan echter sprake van een archeologische waarde. Dit betekent dat gezien de omvang van de voorgenomen bodemingrepen archeologisch vooronderzoek nodig is. Op basis van het vooronderzoek is vastgesteld dat het onderzoeksgebied een lage verwachting heeft op de aanwezigheid van archeologische resten. Dit is gebaseerd op de altijd natte omstandigheden, waaronder de ondergrond van het plangebied is gevormd in combinatie met het ontbreken van archeologisch relevante bodemlagen en de mate van verstoring van de top van het bodemprofiel. Hiermee is de aanwezigheid van een intacte vindplaats in het plangebied niet waarschijnlijk.

  • Open Access Dutch; Flemish
    Authors: 
    Sluijter, RGH;
    Country: Netherlands

    Deze toegang op de resoluties van het college van Curatoren en Burgemeesters van de Leidse universiteit tussen 1574-1815 (Universiteitsbibliotheek Leiden) is oorspronkelijk samengesteld in de vorm van een kaartsysteem. De toegang werd gemaakt ten behoeve van het proefschrift van Ronald Sluijter, 'Tot ciraet, vermeerderinge ende heerlyckmaeckinge der universiteyt'. Bestuur, instellingen, personeel en financiën van de Leidse universiteit 1572-1812 (Hilversum 2004). Het kaartsysteem is geen volledige index op het bovengenoemde archief, maar bevat alleen ingangen die van belang waren voor het onderzoek, grofweg te omschrijven als de 'bedrijfsmatige' kant van de Leidse universtiteit. Het betreft gegevens die in de bronnenuitgave van P.C. Molhuysen, Bronnen tot de geschiedenis der Leidsche universiteit 1574-1811 ('s-Gravenhage 1913-1924) in meerderheid niet zijn opgenomen, aangezien Molhuysen zich juist richtte op de onderwijskundige kant van de universiteit. Overigens bevat de toegang ook een (relatief klein) aantal 'kaarten' die verwijzen naar andere archieven en literatuur, voor zover die nuttig bleken voor het onderzoek. Het betreft hier met name de genoemde bronnenuitgave van Molhuysen. De bronnen zijn hieronder opgesomd. Inhoud van de velden: Onderwerp: trefwoord op het onderwerp van de resolutie. Beschrijving: een samenvatting van de resolutie. In veel gevallen wordt tussen ronde haken verwezen naar data waarop het college besluiten nam over dezelfde zaak. Datum: de datum van de resolutie. Archief Curatoren: het inventarisnummer in het archief van Curatoren 1574-1815. Folio: het folionummer Interne verwijzingen: kruisverwijzingen naar andere trefwoorden. Andere archieven en literatuur: zie boven. Het betreft de volgende bronnen: Berigt van den curator Rooseboom van 27 sept.b. 1696 rakende de finantie der universiteyt tot Leyden (gedrukt, onder andere aanwezig in de Universiteitsbibliotheek, Archief van Curatoren 1574-1815, inv. nr. 263) Erfgoed Leiden en omstreken, archieven van de kloosters, (1310) 1393-1572 (1655) Erfgoed Leiden en omstreken, prentverzameling Erfgoed Leiden en omstreken, stadsarchief van Leiden, (1253) 1574-1816 (1897) Fölting, H.P., De vroedschap van 's-Gravenhage 1572-1795 ('s-Gravenhage 1985) Leids Jaarboekje (1910) Missive van den curator van Wassenaar en burgemeesteren der stad Leyden, houdende derzelver bericht, mitsgaders consideratiën en advis, ter voldoening van hun Ed. Groot Mogende aanschrijven van 28 july 1696 (gedrukt, onder andere aanwezig Archief van Curatoren 1574-1815, inv. nr. 263) Molhuysen, P.C., Bronnen tot de geschiedenis der Leidsche universiteit 1574-1811 ('s-Gravenhage 1913-1924) Particuliere notulen van de vergadering van de Staten van Holland, 1620-1640 (Den Haag 1987-2005) Resolutien van de Heeren Staaten van Holland en Westvriesland 1524-1795 Schotel, G.D.J., Een studenten-oproer in 1594 (Leiden 1867) Universiteitsbibliotheek Leiden, archief van Senaat en Faculteiten 1575-1877 welvaren van Leiden. Handschrift uit het jaar 1911, Het ('s-Gravenhage 1911) Witkam, H.J., De dagelijkse zaken van de Leidse Universiteit van 1581 tot 1596 (Leiden 1969-1975)

  • Open Access Dutch; Flemish
    Authors: 
    Verduin, J.T. (ADC ArcheoProjecten);
    Publisher: ADC ArcheoProjecten
    Country: Netherlands

    ADC ArcheoProjecten en T&A Survey hebben een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P) en een Archeologische Opgraving (DO) uitgevoerd voor het plangebied Tricht-Spooromgeving. Dit onderzoek vond plaats in het kader van de aanleg van een randweg aan de noordzijde van Tricht, met een onderdoorgang onder het spoor. Het onderzoek heeft enkele verrassende resultaten opgeleverd. Het plangebied bevindt zich middenin een crevasse landschap. In dit dynamische rivierenlandschap vonden regelmatig overstromingen plaats. Op een diep niveau werden verspreid over het terrein grote boomkuilen ontdekt, de overblijfselen van een verdronken elzenbroekbos. Dit oerbos is overstroomd geraakt, en door de hoge grondwaterstand waren in veel boomkuilen nog houtresten bewaard. Het hout van twee kuilen is met 14C-onderzoek gedateerd in het Midden-Neolithicum. Op dit overstromingssediment werden sporen uit de prehistorie aangetroffen. De meeste kunnen in het Laat-Neolithicum worden geplaatst en dat is een periode waar nog maar weinig over bekend is. Over de exacte aard van de vindplaats tasten we in het duister, we gaan ervan uit dat het een nederzettingsterrein betreft. Duidelijk herkenbare structuren zijn de vele stakenrijtjes die verspreid over het plangebied voorkomen. Deze hekwerken kunnen bijvoorbeeld woon- en akkerpercelen hebben omgeven of begrensd. Heel overtuigende gebouwstructuren zijn niet herkend, mogelijk is een tweebeukige gebouwstructuur aanwezig in het centrale deel van het plangebied. Hier vonden we vier paalkuiltjes in een bijna noord-zuid georiënteerde rij. De paaltjes zijn op regelmatige afstand van elkaar geplaatst over een lengte van 7,5 m. De rij palen kan echter ook een stuk langer zijn en verder noordelijk buiten de grens van de werkput door kunnen lopen. Zowel de resultaten van het 14C-onderzoek als het aardewerk laten zien dat men hier in het Laat- Neolithicum aanwezig is geweest. We weten dus weinig over de exacte aard van die activiteiten, door de geringe hoeveelheid grondsporen, vondsten en slechte conservering van botanische resten en pollen. We houden er rekening mee dat men hier in het Laat-Neolithicum enige tijd heeft gezeten. Daarop wijzen de paalstructuren, de vondstconcentratie in de vegetatiehorizont en ook enkele kuilen die verspreid in het gebied voorkomen. In één van die kuilen werd nog een bijzondere vondst gedaan: een fragment van een geslepen bijl. Er is een aanwijzing dat men het terrein in de Midden-Bronstijd, zo’n 500 jaar later, heeft bezocht. Uit één van de kuilen kwam een 14C-datering uit in deze periode. Wellicht moeten ook de (ongedateerde) stakenrijtjes aan die periode worden toegeschreven. We weten dat men in de Midden-Bronstijd het Rivierengebied op grote schaal verkavelde, de stakenrijtjes zouden hier deel van kunnen hebben uitgemaakt.

  • Open Access Dutch; Flemish
    Authors: 
    Diependaal, S. (Econsultancy BV);
    Publisher: Econsultancy BV
    Country: Netherlands

    Bij het archeologisch onderzoek naar de Lage Brug zijn delen van de constructie van deze steiger aangetroffen daterend in de late 15e tot 17e eeuw. Het gaat hierbij om drie rijen met drie steigerpalen. Het deel vanaf werkput 5 lijkt een andere constructiewijze te hebben gehad. Hier en daar een enkele grote steigerpaal in combinatie met kleinere palen. Mogelijk heeft dit te maken met het hogere en het lagere deel van de brug. De constructie van de brug is ter hoogte van de rijen met drie steigerpalen circa 3 meter breed. Dit komt overeen met de constructie van de Hoge Brug. Mogelijk heeft het deel waarbinnen rijen met drie steigerpalen zijn gebruikt bestaan uit circa 19 rijen van drie palen, wat neerkomt op 57 palen. De oudste steigerpaal dateert in de late 15e eeuw en is waarschijnlijk nog een relict van de brug uit die periode. Van een oudere fase van de Lage Brug, of andere havenconstructies, uit de 13e tot 15e eeuw zijn geen resten aangetroffen. De constructie van de Lage Brug laat meerdere herstelfasen zien, rond 1610, 1640 en 1650. Bij de herstelfase rond 1640 is gebruik gemaakt van steigerpalen met metalen schoenen, in de herstelfasen hiervoor niet. Dit toont aan dat er rond 1640 een noodzaak was voor dergelijke metalen beschermingsmiddelen. Dit maakt het waarschijnlijk dat het puinlichaam aangetroffen tussen de steigerpalen is gestort tussen 1610 en 1640. De steigerpaal geplaatst op het einde van de Lage Brug in werkput 7 is geslagen rond 1650. Deze paal bezit geen metalen schoen, wat aangeeft dat zich hier geen puinlichaam heeft gelegen. Op basis van het gebruik van metalen schoenen lijkt het er op dat de steigerpalen zonder deze metalen beschermingsmiddelen gedateerd moeten worden vóór 1640 en de palen met metalen schoenen er na. Het plan uit 1591 voor een nieuwe haven lijkt op basis van het aangetroffen puinlichaam en historisch kaartmateriaal ten dele te zijn uitgevoerd. In 1649 wordt een nieuw plan opgesteld dat lijkt te zijn gebaseerd op het plan uit 1591. Dit plan laat zien dat men van plan was om tussen beide havenbruggen een stuk land te winnen om zodoende aan de zeezijde een breed havenhoofd te creëren. Dit plan lijkt te zijn uitgevoerd, in ieder geval voor het deel van de Lage Brug dat onderzocht is. Er is tussen beide bruggen een grondkering aangelegd, de Kadijk, waarbij hergebruikt hout is gebruikt. Onder andere van een zeevarende kotter. Tussen deze Kadijk en de stadsmuur is inderdaad land gewonnen vanaf het midden van de 17e eeuw. Ook is hierbij het nog openliggende deel direct vóór de Vischpoort gedicht. Of het plan voor de nieuwe haven in zijn totaliteit is uitgevoerd kan niet worden bevestigd. Een bijzondere vondst is dat van een scheepswrak (de Harderwijk 1). Het gaat hierbij om de resten van een punter met een visbun bedoeld voor het vervoer van levende vangst vanaf de vissersschepen naar de stad (Vischmarkt). Het vaartuig is gebouwd tussen 1642 en 1658. Na een periode van intensief gebruik zijn de nog bruikbare delen verwijderd en is het vaartuig afgezonken aan de westzijde van de steiger. Gedurende de 17e en 18e eeuw is de aanleg van de nieuwe haven voortgezet waarbij het is gelukt om nieuw land aan te winnen tussen beide bruggen en daar buiten. Hierbij is niet alleen gebruik gemaakt van antropogene stortlagen, maar ook van de werking van de Zuiderzee. Dat de zee op gezette tijden van zich liet spreken laten weg geslagen delen van het puinlichaam en van het gewonnen land zien aan de noordoostzijde van de Lage Brug. Rond het midden van de 18e eeuw verdwijnt de Lage Brug uit het beeld. De onderzijde van de constructie, de steigerpalen, blijven achter in de bodem. Van het bovenste deel wordt niets terug gevonden. Na een periode van nieuwe ophogingen, de aanleg van greppels en een straatje ontstaat de Boulevard zoals oudere inwoners zich nog kunnen herinneren.

  • Open Access Dutch; Flemish
    Authors: 
    Batavialand te Lelystad, Maritiem Archeologisch Depot;
    Country: Netherlands

    Scheepstype: Praam-achtig. In oktober 1959 een scheepswrak verkend op kavel L 84. Het wrak werd in dezelfde maand leeggegraven om de vondsten te kunnen bergen. Deze vondsten deden een ouderdom vermoeden van 100 a 125 jaar. Na de werkzaamheden is het wrak uit de grond verwijderd.